De Groenlandse Pakhuizen

De Verenigde Oost-Indische Compagnie is onlosmakelijk verbonden met de Gouden Eeuw. Veel mensen weten ook wel ongeveer waar de VOC-schepen heen voeren en wat ze daar deden. Minder bekend is al de West-Indische Compagnie. Deze compagnie werd ruim twintig jaar na de VOC opgericht en voer vooral op West-Afrika en Noord- en Zuid-Amerika.

Groenlandse pakhuizenMaar er was nóg een compagnie. Deze zag het licht in 1614 en hield zich bezig met de walvisvangst bij Groenland. Net als bij de VOC en de WIC had Amsterdam ook in deze Groenlandse of Noordse Compagnie een flinke vinger in de pap. De buit van de walvisvangst vond dan ook makkelijk zijn weg naar onder andere drie pakhuizen aan de Keizersgracht. Daar werden beenderen en baleinen opgeslagen, maar ook traan. Dat is de olie die vrijkomt als je de speklaag van een walvis kookt. Traan werd gebruikt als lampolie en smeermiddel, het werd tot zeep, stopverf en kaarsen verwerkt – je kon er van alles mee. Het spul werd in grote vaten op zolder opgeslagen, en in gemetselde putten op de begane grond.

Deze putten zorgden eeuwen later nog voor problemen. Toen werden de pakhuizen verbouwd tot een appartementencomplex. Tijdens deze verbouwing werden zestig traanputten teruggevonden – twintig per pakhuis – volgestort met puin. De muren waren van traan doordrenkt. Niet handig als je zo’n muur wilde schilderen of behangen.

De panden zelf zijn nog altijd een plaatje, met hun trapgevels en rode luiken. En met hun windkasten die de hijsbalken beschermen. Maar daarover een andere keer.

(Meer heim-weetjes lezen? Kijk dan hier, of abonneer je met deze RSS-Feed!)